Webinar 1: Medische psychologie


Door: Leanne van Est (onderzoeker op de universiteit Utrecht en onderzoeker en behandelaar bij het Psychotraumacentrum Zuid Nederland)

Op 27 mei werd de eerste webinar gegeven van de NtVP drieluik omtrent het onderwerp COVID-19. Drs. Noor Assmann, Dr. Jacqueline Hochstenbach en Jantine Visser spraken over de in de afgelopen maanden opgedane kennis over psychotraumazorg binnen de medische psychologie. Noor Assmann is klinisch psycholoog en inhoudelijk manager afdeling medische psychologie, Jeroen Bosch Ziekenhuis. Dr. Jacqueline Hochstenbach is klinisch neuropsycholoog bij Reinier van Arkel en Jantine Visser is klinisch psycholoog en trauma-psycholoog op de afdeling medische psychologie van het Groene Hart Ziekenhuis

Assmann nam ons mee in het verhaal van een COVID-patiënt. Beginnend met spanningsopbouw voor de ziekte, o.a. door onzekerheid over hoe de ziekte zich zal ontwikkelen en beelden uit de media. Met klachten komt iemand vervolgens op de COVID-verdachte afdeling terecht en moet daar zes uur wachten, in volledige isolatie, op de uitslag van de test. Als blijkt dat iemand COVID heeft, gaat diegene daarna door naar de COVID-intensive care (IC) of de reguliere COVID-afdeling. Met ernstige klachten kan iemand ook direct door naar de IC. Als gevolg van verpleging in isolatie krijgt iemand o.a. vaak te maken met kortere verzorgingsmomenten, “huid honger” oftewel het gemis van huid-op-huidcontact, stigmatisering, weinig bezoek, gedeeltelijke of totale afhankelijkheid en specifiek voor de IC, vrijwel naakt verpleegd worden, bemoeilijkte communicatie en een verstoord bioritme. Daarbij komt specifiek voor COVID het digitale afscheid van de patiënt, het ziek worden van familieleden en de wereld die anders is dan voordat iemand ziek of opgenomen werd. Bij het verpleegd worden in isolatie kunnen soms positieve punten worden beleefd, zoals meer rust en privacy. Er is nog geen onderzoek beschikbaar waaruit blijkt of dit voor COVID-patiënten ook het geval is. Voor de nazorg is het belangrijk om rekening te houden met eventuele kwetsbaarheden van de patiënt, goede uitleg te geven over ervaren klachten en steun van naasten in te schakelen. Aanvankelijk ligt bij herstel na een ziekenhuisopname de focus op fysiek herstel, hierna komt meestal pas ruimte voor emotionele verwerking/realisatie van wat iemand is overkomen. Om psychische klachten in kaart te brengen kunnen screeners worden ingezet. Hoge scores zijn niet direct aanleiding om een psychologische behandeling te starten, maar wel om de patiënt te blijven monitoren.

Jacqueline Hochstenbach sprak over Post Intensive Care Syndroom (PICS), de verzamelnaam voor klachten die nog een lange tijd aan kunnen houden na de ziekte en IC opname. Dit gaat om fysieke klachten, waar na een jaar nog steeds 50% aan lijdt, cognitieve klachten (bij o.a. aandacht, tempo, executief functioneren) en emotionele klachten (o.a. PTSS, depressie). Zij benoemde daarnaast PICS-F, de klachten die ontstaan bij naasten, en PICS+, specifiek te zien bij COVID-patiënten. De benaming PICS+ is overigens geen formele benaming, maar door Hochstenbach geopperd om het verschil in ernst weer te geven met de reguliere PICS-patiënten. In reguliere PICS onderzoeken worden neurologische patiënten namelijk vaak uitgesloten. De + slaat op de bijkomende neurologische schade, vaak als gevolg van het zuurstoftekort, trombose, ontstekingen en bloeddrukontregelingen bij de patiënten. Aanvankelijk is er bij deze patiënten aandacht voor fysiek herstel. Voor psychische klachten ligt dan de focus op uitleg, normaliseren en veerkracht versterken. Omtrent cognitief functioneren is het van belang te realiseren dat het een geruime tijd kan duren voordat herstel optreedt, waarbij het cognitief functioneren vaak niet meer teruggaat naar het oude niveau. Verminderd cognitief functioneren, zoals beperkte belastbaarheid en leerbaarheid en verminderde werkgeheugen capaciteit zijn van invloed op een (trauma)behandeling. Hochstenbach geeft als tips voor behandelaars om bijvoorbeeld korte zinnen te maken, het tempo te verlagen en veel te herhalen.

Als laatste sprak Jantine Visser over de zorg voor medewerkers. Zij kaartte aan dat er veel verschillende soorten zorgmedewerkers zijn met ieder hun eigen rol en perceptie. Naast de medewerkers waar veel over werd gesproken, zoals de medewerkers van de IC en andere COVID-afdelingen, kan er ook sprake zijn van medewerkers met een ‘anti-held’ gevoel en vergeten medewerkers. Dit kunnen bijvoorbeeld chirurgen zijn die plotseling weinig werk hadden en schoonmakers die ook veelvuldig op de COVID-afdelingen aanwezig waren. Voor velen is er een gevoel van frustratie over de gang van zaken. Problemen die al langer speelden op een afdeling kunnen naar boven komen in tijden van stress. Jantine Visser benadrukte dat het van belang is om naar het verhaal van de medewerker te vragen en thema’s zoals machteloosheid en wel of niet van betekenis kunnen zijn aan bod te laten komen. Zorgmedewerkers vragen niet makkelijk om hulp en gaan lang door. Uit een meta-analyse blijkt dat 0-12 % van de zorgverleners klachten heeft, zoals PTSS, somberheid en angst (De Boer et al., 2011). De kans op klachten lijkt groter als er sprake is van een toename aan stress, een gebrek aan training en meer identificatie met (het verhaal van) slachtoffers. Ook wordt in de presentatie benadrukt dat het belangrijk is om aanvankelijk op je handen te zitten en te kijken of zorg wel nodig is. Uit onderzoek (Emmerik et al., 2002; Sijbrandij et al., 2006) blijkt dat psychologische debriefing stress-gerelateerde klachten in de hand kan werken. Daarom adviseert Visser uit te gaan van de kracht van de zorgmedewerkers en de kracht van het team waarbinnen de zorgmedewerker zijn/haar werk uitvoert.

© 2020 NTVP - All Rights Reserved