Wat werkt voor wie in de psycho-oncologie? Interview met Marije van der Lee

Door Marthe Egberts (postdoctoraal onderzoeker en orthopedagoog bij het Ingeborg Douwes Centrum)

Prof. dr. Marije van der Lee is hoofd wetenschappelijk onderzoek en GZ-psycholoog bij het Helen Dowling Instituut (HDI). In juni 2020 is zij benoemd tot bijzonder hoogleraar in de klinische psycho-oncologie bij het departement Medische en Klinische Psychologie van Tilburg University.

Niet alle NtVP-leden zullen bekend zijn met het veld waarin je werkt. Kan je iets meer vertellen over de psycho-oncologie?

Waar wij ons bij het HDI op richten zijn de psychische problemen die specifiek zijn voor kanker. Mensen met kanker kunnen natuurlijk klachten ervaren die ook behandeld worden in de reguliere GGZ, zoals een depressie. Je kan dan ook een reguliere behandeling bieden, rekening houdend met de kanker. Maar er zijn ook problemen die specifieker zijn, zoals de angst voor terugkeer van kanker of ernstige kanker-gerelateerde vermoeidheid. Het hele veld van de psycho-oncologie is natuurlijk breder dan dat. Daarin werken bijvoorbeeld ook huisartsen, medisch specialisten, en verpleegkundigen.

Ik richt me echt op het snijvlak van de GGZ en de oncologie.

Foto: Stijn Rademaker

Op 16 april vond je oratie “Wat werkt voor wie in de psycho-oncologie?” plaats. Waar richt je leerstoel zich op?

Die richt zich voornamelijk op het personaliseren van behandeling. Ik denk dat het zinvol is de mechanismes achter de behandeling beter te snappen. Waarom werkt behandeling? In onderzoek (RCT’s) wordt er vaak gekeken naar homogene groepen met een enkele classificatie. Maar de praktijk is veel complexer. Denk in onze doelgroep bijvoorbeeld aan de somatische comorbiditeit waar je altijd rekening mee moet houden. Ik wil een betere vertaalslag van onderzoek naar praktijk maken, waarbij behandelingen zoveel mogelijke evidence-based zijn, maar ook afgestemd op de persoon die voor je zit.

Hoe wil je dat doen?

Onder andere door verschillende interventies tegelijkertijd in één onderzoek te vergelijken. In één van onze onderzoeken hebben we bijvoorbeeld web-based psycho-educatie, een web-based bewegingsinterventie en een web-based mindfulness-based cognitieve therapie vergeleken. Zo konden we werkingsmechanismes onderzoeken en kijken wat voor wie werkte. Daarmee kregen we een eerste idee, maar het hielp nog niet genoeg om op de individuele cliënt af te stemmen. Daar kunnen we de netwerktheorie voor gebruiken. Als cognitief-gedragstherapeut werk je ook eigenlijk al zo, bijvoorbeeld met een casusconceptualisatie of de holistische theorie. Met onderzoeksmethoden als experience sampling kunnen we beter leren begrijpen hoe de cirkels van klachten in elkaar zitten, dus wat versterkende factoren zijn bijvoorbeeld. En dat kan ook op individueel niveau, zodat je als therapeut beter weet waar de behandeling zich bij deze cliënt op moet richten. Het zal niet voor iedereen en voor alle klachten nodig zijn, maar bij multifactoriële klachten zoals vermoeidheid kan het heel zinvol zijn.

Welke plaats neemt psychotrauma in binnen je werk?

In de klinische praktijk krijgen we veel te maken met psychotrauma. Kanker is levensbedreigend en de behandelingen kunnen ook traumatisch zijn. Er is wel een verschil met eenmalig trauma.

Bij kanker hangt er altijd een soort zwaard van Damocles boven het hoofd van de patiënt, door de behandelingen, controles en mogelijkheid van terugkeer van kanker.

Ook eerdere trauma’s kunnen opgerakeld worden als iemand kanker krijgt, waardoor mensen psychische klachten kunnen krijgen. We doen veel behandeling van psychotrauma bij het HDI, bijvoorbeeld met EMDR of Imaginaire Exposure. Ik heb bijvoorbeeld iemand behandeld die een allergische reactie had gekregen tijdens haar eerste chemobehandeling voor borstkanker, waardoor ze dacht dat ze stikte. Bij de andere soort chemotherapie die ze hierna kreeg, dacht ze dat dit weer gebeurde, waardoor ze niet kon doorgaan met deze voorkeursbehandeling. Het trauma belemmerde haar dus ook in de verdere behandeling voor kanker.

Wat is voor jou de meerwaarde van het combineren van wetenschappelijk onderzoek en werken in de klinische praktijk?

Sowieso vind ik de afwisseling heel leuk. De onderzoeksvraag begint voor mij in de praktijk. Van cliënten en collega’s hoor je waar behoefte aan is. Toen ik startte bij het HDI heb ik een bijeenkomst met alle therapeuten georganiseerd, waaruit naar voren kwam dat er nog kennis en aanbod mist rondom de angst voor terugkeer van kanker. Als je vanuit de behoefte van cliënten en therapeuten een praktijkgericht onderzoek kan opzetten, dan hebben de uiteindelijke resultaten ook direct invloed op de praktijk. Wij betrekken onze therapeuten bijvoorbeeld ook in de ontwikkeling van interventies, ze proberen deze uit en voeren ze daarna uit in het kader van het onderzoek. Op deze manier is de uiteindelijke stap naar implementatie kleiner.

Hoe zie je de toekomst van de psycho-oncologie?

Als je het hebt over de hele psycho-oncologie, dan hoop ik dat artsen en verpleegkundigen ook meer aandacht krijgen voor het psychosociale stuk.

Een trauma kan bijvoorbeeld ook ontstaan doordat mensen zich tijdens een zware behandeling niet gesteund voelen.

Met samen beslissen en goed naar de patiënt luisteren kan je dat hopelijk beperken. Dat gebeurt al wel steeds meer en daar zijn collega’s in het veld ook mee bezig. En met laagdrempelige programma’s bij de huisarts en POH-GGZ kunnen we hopelijk het aandeel mensen verkleinen dat moet worden verwezen naar de GGZ. Daarnaast hoop ik ook artsen en verpleegkundigen op te leiden in wanneer ze moeten verwijzen. Een hele hoop emoties horen erbij, maar soms schrikken zorgverleners daarvan en verwijzen ze misschien te snel door. Aan de andere kant zullen bijvoorbeeld mensen die vermijdend gehecht zijn, veel minder emoties laten zien. Ik hoop dat we dit eerder kunnen herkennen, zodat ze op tijd kunnen worden verwezen naar de juiste hulp.

Welk advies wil je vanuit jouw expertise meegeven aan psychotraumatherapeuten?

Ik vind het belangrijk om bij het behandelen van trauma’s ook aandacht te hebben voor het lichamelijke, al vermoed ik dat psychotraumatherapeuten dit ook al hebben. Traumabehandeling is natuurlijk zwaar en je moet dat ook fysiek aankunnen. Wij vragen bijvoorbeeld de lichamelijke klachten in de intake goed uit en houden ook rekening met de belastbaarheid in het kader van de zware medische behandeling die onze cliënten ondergaan. Daar passen we de timing van de traumabehandeling dan op aan. En verder vind ik het durven vragen naar moeilijke thema’s, zoals doodsangst en de confrontatie met lijden en sterven, heel belangrijk. Al willen sommige mensen het daar helemaal niet over hebben, ze vermijden het.

Als psychologen zien we vermijding vaak als iets dat angst in stand houdt. Maar uit onderzoek blijkt dat vermijding en ontkenning bij mensen die een slechte prognose hebben, ook de kwaliteit van leven kunnen beschermen.

Je hoeft vermijding dus niet per definitie te doorbreken, maar je kan er voorzichtig op doorvragen.

CategoryNB-Sep21, Nieuwsbrief
© 2021 NTVP - All Rights Reserved