Rubriek ‘‘De psychotraumatherapeut: het verhaal van… Yolande Kat’’

Door Lyanne Reitsma (promovenda bij de Universiteit Utrecht)

Diagnostiek en behandeling van psychotrauma vraagt om specifieke expertise. Om die deskundigheid te garanderen biedt de NtVP de certificering tot psychotraumatherapeut. Wie zijn de professionals die deze certificering hebben? In deze rubriek komen zij aan het woord, geven hun blik op hun werkveld en hun visie op de certificering tot psychotraumatherapeut. Voor deze nieuwsbrief spraken wij met Yolande Kat.

Yolande is klinisch psycholoog bij de forensische polikliniek de Waag in Amsterdam, binnen de zorglijn voor Agressie en Vermogensdelicten. Daar behandelt zij voornamelijk daders van gewelddadige delicten en zij heeft een bijzondere interesse in trauma en psychopathie. Tijdens haar opleiding tot klinisch psycholoog heeft zij onderzoek gedaan naar subtypes van primaire en secundaire psychopathie onder forensische poliklinische cliënten. Ook is zij waagbrede coördinator voor forensische veteranenzorg vanuit het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen (LZV). Sinds 2017 is ze gecertificeerd psychotraumatherapeut NtVP.

Wat heeft je interesse in het psychotraumaveld gewekt?

Die is gedurende mijn werk bij de Waag ontstaan. Ik ben, zoals al mijn vakgenoten denk ik, altijd geïnteresseerd geweest in de mens achter het gedrag. Het strafbare gedrag in mijn geval, omdat ik altijd al in het forensische veld heb gewerkt.

Je wilt begrijpen waarom iemand tot dit gedrag komt, wat iemand heeft gevormd. Daarin spelen verwaarlozing, misbruik en mishandeling in de eigen voorgeschiedenis bij de forensische populatie vaak een grote rol.

Je bent in het bijzonder geïnteresseerd in trauma in het forensische veld. Waar komt deze interesse vandaan?

Mijn interesse in het forensische veld ontstond al tijdens mijn studie psychologie. Hoewel er toen nog geen forensische master bestond, kon ik mijn keuzevakken zo samenstellen dat ik zowel bij rechten (strafrecht, criminologie), als bij ontwikkelings- en klinische psychologie de vakken kon volgen die daarop aansloten. Na mijn studie heb ik eerst een aantal jaar in de Van der Hoeven Kliniek, een TBS-kliniek gewerkt, alvorens ik bij de forensische polikliniek van de Waag terecht kwam. Ook heb ik een aantal jaren gewerkt als pro Justitia rapporteur. Ik merkte dat er maar heel weinig aandacht en erkenning uitging naar de slachtofferkant van deze cliënten, terwijl die er in mijn optiek wel degelijk was. Ik weet nog dat één van mijn ingediende rapporten voor mijn registratie als gerechtelijk deskundige zo goed als afgekeurd werd omdat ik daarin de traumatische jeugd en ontstane PTSS te veel zou hebben belicht. Men kon dat niet rijmen met het daderschap waarvan de cliënt werd verdacht. Mijns inziens liggen daderschap en slachtofferschap bij onze cliënten dicht bij elkaar; veel latere daders zijn eerder zelf (langdurig) slachtoffer geweest. Ze worden niet als agressieveling of delinquent geboren. Langzaamaan begon er binnen mijn werkveld een verschuiving plaats te vinden. Waar het eerst vooral gericht was op beheersing en gedrag, ontstond steeds meer ruimte voor (negatieve) emoties, de rol van traumatische ervaringen en de invloed daarvan op iemands (criminele) ontwikkeling. In het begin waren er nog vaak discussies. Moesten we de cliënt wel van deze klachten afhelpen? Maakten we dan geen ‘happy criminal’ door ze van deze last te ontdoen? Gelukkig zijn we inmiddels veel verder en weten dat het juist heel helpend kan zijn om PTSS of andere trauma-gerelateerde klachten bij onze cliënten te behandelen. Juist ook om de kans op recidive te verminderen.

Met welke typen psychotrauma heb je te maken in jouw werk bij de Waag?

Binnen het forensische kunnen er verschillende aanknopingspunten zijn om traumabehandeling te starten bij een cliënt. Zowel vanuit diens eigen slachtofferschap, als vanuit diens daderschap. Met name als een delict impulsief is en niet strookt met het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is de kans op PTSS groter.

We zien daarbij cliënten die daadwerkelijk aan de diagnose PTSS voldoen. Die behandelen we zo spoedig mogelijk en conform de richtlijnen. Immers zal daardoor de psychopathologie minder worden aangestuurd door de PTSS en het basale stressniveau verminderen. Hiermee grijp je aan op de responsiviteit vanuit het Risk-Need-Responsivity (RNR)-model (Andrews e.a. 1990; Andrews & Bonta 2007; 2010). Dit model vormt de basis van de forensische behandeling. De cliënt kan daarna beter profiteren van de verdere interventies gericht op het forensische gedrag die binnen de behandeling worden geboden.

Naast eigen mishandeling en/of misbruik (abuse), wat aan het A-criterium voldoet, wordt er ook veel verwaarlozing (neglect) gezien bij onze cliënten. Hoewel dit niet aan het A-criterium voldoet, is dit zeker zo schadelijk voor de ontwikkeling en het beeld dat iemand van zichzelf, de ander en de wereld ontwikkelt. Binnen de forensische zorg vinden we dat deze traumagerelateerde klachten behandeling vereisen wanneer: (a) er een duidelijke relatie wordt verondersteld met het indexdelict waarvoor cliënt is aangemeld; (b) indien deze klachten een negatieve invloed hebben op de responsiviteit, of (c) wanneer de klachten samenhangen met aanwezige dynamische risicofactoren zoals impulsiviteit.

Wat is voor jou de meerwaarde van een registratie tot psychotraumatherapeut NtVP?

Het mooie van de NtVP vind ik dat zij trauma in de breedte bekijken; niet enkel PTSS, maar ook andere traumagerelateerde problemen en rouw. Daarnaast zijn zij niet een voorvechter van één specifieke methodiek, maar kijken ook hierin breder wat werkt en voor wie. Ik kan me in deze visie en werkwijze heel goed vinden.

Tijdens je opleiding tot Klinisch Psycholoog heb je ook onderzoek uitgevoerd. Waar was dit onderzoek op gericht?

De doelstelling van mijn KP-onderzoek was drieledig. Ten eerste wilden we onderzoeken in hoeverre verhoogde psychopathie scores -gemeten met de Nederlandse vertaling van de Self Report Psychopathy Scales-4- bij poliklinische cliënten van de Waag voorkomen in vergelijking tot forensisch klinische en algemene bevolkingspopulaties. Ten tweede wilden we nagaan of we daarbij subtypen konden ïdentificeren op basis van de psychopathie score en mate van angst[1]. Tenslotte hebben we getest of deze subtypen verschilden in de wijze waarop ze hun emoties reguleren en in ervaren trauma’s in de kindertijd.

Wat heb je uit jouw onderzoek meegenomen naar de klinische praktijk en vice versa?

Verschillende zaken; uit het onderzoek kwam naar voren dat meer dan de helft van de cliënten die meewerkten verhoogde psychopathische kenmerken vertoonden en een kwart zelfs extreem verhoogd. Daarnaast vonden we verschillende subtypen vanuit de data die verschilden in mate van psychopathie, angst, trauma en emotieregulatie. Het onderscheiden van deze subtypen kan in de klinische praktijk leiden tot een beter afgestemd behandelaanbod.

Kijkend naar trauma, bleek meer dan de helft van de cliënten verhoogd te scoren op zelfgerapporteerde traumatische ervaringen in de kindertijd (gemeten met de jeugdtrauma vragenlijst – de JTV – een vertaling van de Child Trauma Questionnaire). Degene die hoger scoorden op traumata, scoorden ook significant hoger op psychopatische kenmerken.

Dus: degene met hogere psychopathie scores hebben ook significant ernstiger trauma in de voorgeschiedenis.

Op subschaal niveau bekeken, blijken Emotional Abuse (<.01) en Emotional Neglect (<.05) een significant positieve relatie met de psychopathie te hebben. Deze resultaten zijn in overeenstemming met theorieën en empirische bevindingen, die suggereren dat aversieve gebeurtenissen in de kindertijd een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van psychopathie, vooral van het secundaire subtype. Het ‘niet meer voelen’ als coping om met de emotionele pijn om te gaan kan zich ontwikkelen in een emotioneel afgestompte interpersoonlijke stijl die leidt tot asociaal en ongevoelig gedrag.

Vice versa geven deze resultaten meer inzicht in het feit dat de harde buitenkant bij veel van onze cliënten er niet voor niets is. Die kant is niet zomaar ontstaan. Het in behandelcontact proberen achter deze buitenkant – de bescherming – te mogen stilstaan bij de kwetsbare gevoelens, de pijn en het verdriet, dat is denk ik de grote uitdaging in de klinische praktijk. Hoe kom je door deze beschermers heen, hoe zorg je dat je ‘binnen’ mag komen en degene uiteindelijk kan helpen om negatieve levenservaringen te verwerken en te kunnen verzachten.

Waar zou je je in toekomstig klinisch werk (en eventueel onderzoek) op willen richten?

Vanuit mijn werkplek bij de Waag ben ik de laatste jaren in samenwerking met een aantal collega’s actief bezig geweest om de diagnostiek en traumabehandeling goed in het zadel te krijgen (o.a. handreiking, interne deskundigheidsbevordering). Recenter wordt gewerkt aan een intensieve traumabehandeling voor onze forensische cliënten; ofwel intensief poliklinisch, ofwel klinisch door samenwerking met klinieken die 24-uurs zorg leveren. Zo zijn we in gesprek met de locaties van de kliniek die we binnen De Forensische Zorgspecialisten hebben, om een dergelijke behandeling in de toekomst te kunnen bieden. Leuk om te noemen is dat zij inmiddels de 4e pilot binnen de TBS hebben gedraaid met een 2 x 4-daagse, intensieve traumabehandeling. Onderzoek naar de effectiviteit van een dergelijk aanbod, niet alleen op de traumaklachten, maar ook op het recidive risico, zou ik heel mooi vinden. Daarnaast ben ik al enige tijd geleden met de SIG ‘trauma in het forensische veld’ bij de NtVP gestart. Ik hoop hiermee collega’s uit het forensische werkveld samen te kunnen brengen rondom dit thema, om de aandacht en kennis in onze specifieke sector nog beter op de kaart te zetten en de krachten te bundelen.

Hoe verwerk je wat je hoort in de behandelkamer? Heb je tips voor andere therapeuten?

Ik ben gelukkig redelijk goed in staat om ‘de knop om te zetten’. Het scheelt daarbij dat ik even onderweg ben naar huis, vaak draai ik de muziek waar ik van hou (lekker hard) of luister naar een luisterboek. Soms schud ik letterlijk even de spanning van me af. Bij thuiskomst wachten jonge kinderen, met een totaal andere rol en andere gevoelens. Daarnaast zijn een warm werkklimaat, het bij een collega binnen kunnen lopen en stoom afblazen of het delen van je eigen gevoelens in intervisie of in één op één contact met iemand waar je goed mee bent, voor mij van groot belang.

[1] De typologie die een onderscheid maakt tussen de zogenaamde primaire en secundaire psychopathie wordt tot op het heden het meest gebruikt. Hierin wordt gesteld dat het primaire subtype o.a. wordt gekenmerkt door een genetisch affectief tekort en een laag angstniveau, terwijl het secundaire subtype ontstaat door negatieve levenservaringen en zich o.a. kenmerkt door een hoge mate van angst. Deze laatste groep scoort vooral op de impulsieve, antisociale gedragskenmerken van psychopathie. Het primaire subtype daarentegen laat met name problemen zien op het gebied van de interpersoonlijke en affectieve kenmerken van psychopathie. Door het identificeren van deze subtypes kunnen we in de praktijk onze behandeling nog beter op de noden van deze profielen afstemmen.

CategoryNB-Jun22, Nieuwsbrief
© 2022 NTVP - All Rights Reserved