Rubriek “De psychotraumatherapeut: het verhaal van… Mariken Spuij”

Door Marthe Egberts (postdoctoraal onderzoeker bij Universiteit Utrecht, afdeling Klinische Psychologie, en orthopedagoog bij het Ingeborg Douwes Centrum)

Diagnostiek en behandeling van psychotrauma vraagt om specifieke expertise. Om die deskundigheid te garanderen biedt NtVP de certificering tot psychotraumatherapeut. Wie zijn de professionals die deze certificering hebben? In deze rubriek komen zij aan het woord, geven hun blik op hun werkveld en hun visie op de certificering tot psychotraumatherapeut.

Klinisch werk, onderzoek en onderwijs; Mariken Spuij combineert het met veel plezier. Als klinisch psycholoog-psychotherapeut en orthopedagoog-generalist is zij werkzaam in de middelgrote praktijk TOPP-zorg in Driebergen. Daar behandelt ze zowel kinderen, jongeren, als volwassenen. Daarnaast werkt ze als universitair docent binnen de opleiding Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. In haar onderzoek richt ze zich op rouw bij kinderen en in haar klinische werk ligt haar focus voornamelijk op de behandeling van psychotrauma-gerelateerde klachten en (dreigende) persoonlijkheidsproblematiek. Mariken begon ooit met de opleiding spelpsychotherapie, daarna volgden CGT en EMDR. Sinds 2017 is ze gecertificeerd psychotraumatherapeut NtVP. Momenteel volgt ze de opleiding tot schematherapeut.

Waardoor werd je interesse voor psychotrauma gewekt?

In het leven kan je heel nare dingen meemaken. Sommige mensen hebben daar ogenschijnlijk weinig last van, maar anderen lopen vast. Als onderzoeker heb ik dit altijd een interessant gegeven gevonden. Waar heeft het mee te maken dat sommige mensen ernstige klachten ontwikkelen? Daarnaast vind ik het behandelen van deze groep dankbaar werk. Ellende kan iedereen overkomen, daar heb je als mens helaas geen invloed op. Daarbij kunnen helpen als behandelaar en eraan bijdragen dat mensen verbeteren en vooruitgaan, geeft een goed gevoel.

Je hebt een bijzondere interesse in rouw. Vanwaar deze interesse?

In de tijd dat ik bij het Ambulatorium van de Universiteit Utrecht werkte, waren we bezig met academisering. Paul Boelen (hoogleraar Klinische Psychologie), die gespecialiseerd is in rouw, en ik werkten daar samen en het idee ontstond om onderzoek te doen naar rouw bij kinderen en jongeren. Daar was in die tijd nog heel weinig over bekend. Samen ontwikkelden we een vragenlijst over rouw voor deze doelgroep. Later volgde de ontwikkeling van de Rouw Cognitie Vragenlijst voor kinderen en RouwHulp (een cognitief gedragstherapeutisch behandelprogramma). Hoewel ik best veel mensen ken die op jonge leeftijd iemand verloren hebben en ik door hen weet hoe ingrijpend dit kan zijn, heeft het nooit bewust een rol gespeeld in mijn keuze om hier onderzoek naar te doen. Ik denk echter dat ik zeker wel getriggerd ben door deze verhalen.

Waarom heb je besloten je te registreren tot psychotraumatherapeut NtVP?

De NtVP zie ik als verbindende factor in het veld en door lid te zijn en me te laten registreren als psychotraumatherapeut, kan ik me profileren binnen de gedragswetenschappen. Het draagt dus bij aan mijn beroepsidentiteit. Ook het kwaliteitsaspect speelt mee. Door de registratie kan je laten zien dat je goede kwaliteit zorg levert. Maar ik moet zeggen dat ik soms ook wel klaar ben met alle verschillende registraties, je ziet door de bomen het bos niet meer. Ik heb ook cliënten en verwijzers die het niet snappen, dat begrijp ik heel goed. Ik zie meer voordelen dan puur de registratie.

De NtVP heb ik altijd een mooie vereniging gevonden, het is een fijne club mensen. Het bijzondere is dat er zowel onderzoekers als clinici aan verbonden zijn. Binnen de NtVP gaat het heel erg over de inhoud. Het gaat over de dynamiek van de problematiek en de focus is breder dan één specifieke interventie of methode.

Doordat informatie op een toegankelijke manier gebracht wordt en er snel en veel wordt gedeeld, blijf ik op de hoogte van de ontwikkelingen in het veld.

Naast je werk als therapeut doe je ook onderzoek. Waar richt dit onderzoek zich op?

Ik richt me op rouw bij kinderen en jongeren. Hoe ziet rouw er bij kinderen en jongeren uit? Wanneer en waarom kan rouw stagneren bij deze groep, en welke kinderen zijn extra kwetsbaar? Ook richt ik me op manieren waarop de behandeling van vastgelopen rouw vormgegeven kan worden. In samenwerking met collega’s heb ik RouwHulp ontwikkeld, dat is een CGT-behandeling voor kinderen en jongeren. In een gerandomiseerd onderzoek met controlegroep hebben we vervolgens gekeken of deze hulp effectiever is dan meer ondersteunende counseling. Op dit moment zijn we bezig de resultaten van dit onderzoek op te schrijven.

Wat neem je uit de praktijk mee naar het onderzoeksveld en andersom?

Doordat ik cliënten zie, ken ik de dynamiek van de problematiek op het individuele niveau. Voor mij werkt dat hypothese-genererend voor onderzoek; wat betekent het verlies voor kinderen? Ook krijgen de cijfers uit het onderzoek meer betekenis door mijn praktijkervaring. Andersom helpt mijn onderzoekservaring me in de praktijk. In onderzoek kijk je naar grote groepen. Als clinicus sta ik erbij stil hoe individuele cliënten zich tot deze groep verhouden. Op basis van wat ik weet over de groep, kijk ik naar de ernst van de klachten, de aangrijpingspunten voor behandeling, en het perspectief voor deze cliënt.

Waar zou je je in toekomstig klinisch werk en onderzoek op willen richten?

Ik denk veel na over het combineren van een behandeling voor kinderen en ouders. Zo blijken ouders van kinderen die vastlopen, vaak zelf ook klachten te hebben. Zouden we ouders dan ook niet een intensievere behandeling moeten geven? Knappen kinderen op als je ouders verstevigt? In het behandelen van kinderen merk je soms al dat ouders ook met hun eigen cognities aan de slag gaan. Wie we moeten behandelen en op welk moment is een heel belangrijke vraag in ons veld. Als er een gezinslid overlijdt, heeft iedereen daar op een eigen manier last van. Bij welke klachten gaan we behandelen, bij welke gezinsleden en met welke technieken? Dat zou ik heel graag willen onderzoeken. Dat gaat verder dan het onderzoeken van een standaard protocol, het is meer persoons- en gezinsgericht. Er is nog genoeg te doen in ieder geval.

Om af te sluiten: Hoe verwerk je wat je hoort in de spreekkamer? Heb je tips voor andere therapeuten?

De intake vind ik zelf vaak het meest zwaar. Daar is het verdriet zo aanwezig. Doordat je als therapeut moet inschatten wat er aan de hand is, staan al je registers open. En daarnaast kan je nog zo weinig echt doen. Ik heb geleerd dat het voor mij beter is om maximaal één nieuwe intake op een dag te doen. En ik heb geleerd hoe ik voor mijzelf kan zorgen. Voor mij helpt het bijvoorbeeld om te luisteren naar muziek. Ik vind het heerlijk om op de weg terug naar huis de muziek hard aan te zetten en lekker mee te zingen. Ook bewegen speelt voor mij een belangrijke rol. Ik bouw op een dag vaak een moment zelfzorg in. Dan ga ik bijvoorbeeld een stukje lopen.

Als ik minder tijd hebt, helpt het om even te hoelahoepen. Op mijn kamer heb tegenwoordig ik een hoepel staan. Met het hoepelen leg ik, net als met lopen, de focus op mijn lijf. Ik ga even uit het verhaal dat ik net heb gehoord. De spanning die ik heb opgebouwd verdwijnt dan.

Voor mij werkt het zo, ik kan me voorstellen dat dit voor iedereen anders is. Maar dat neemt niet weg dat zelfzorg voor iedereen belangrijk is.

CategoryNB-Jul20, Nieuwsbrief
© 2020 NTVP - All Rights Reserved