Rewind and Fast Forward: Intensieve traumabehandeling voor het hele gezin – Interview met Valerie Fictorie

Door Sophie van Leeuwen, communicatiemedewerker NtVP en psycholoog bij Youz

Valerie Fictorie is gz-psycholoog i.o. tot specialist bij Kenter Jeugdhulp. Naast haar klinische werk is ze als promovendus verbonden aan de VU Amsterdam waar ze onderzoek doet naar huiselijk geweld en trauma bij kinderen. Haar drijfveer om met getraumatiseerde kinderen te werken is ontstaan in de periode dat ze werkte met residentieel geplaatste kinderen en verder gegroeid in haar werk bij het Kinder-en Jeugdtraumacentrum (KJTC) van Kenter Jeugdhulp. Binnen de studie Rewind and Fast Forward onderzoekt Valerie de effectiviteit van een gezinsgerichte intensieve traumabehandeling voor gezinnen die zijn blootgesteld aan huiselijk geweld. De projectgroep van deze studie bestaat naast Valerie uit Dr. Margreet Visser (klinisch psycholoog Kenter Jeugdhulp), Dr. Caroline Jonkman (Kenter Jeugdhulp en VU Amsterdam), Drs. Marjolein Vandenbosch (VU Amsterdam), Prof.dr. Carlo Schuengel (VU Amsterdam) & Prof.dr. Majone Steketee (Verwey-Jonker Instituut).

Kun je wat meer vertellen over jouw onderzoeksproject Rewind and Fast Forward?

In dit project onderzoeken we de effectiviteit van een gezinsgerichte intensieve traumabehandeling, de family-based intensive trauma treatment (FITT). Deze behandelmethode is een aantal jaar geleden ontwikkeld. In 2018 zijn we bij het Kinder- en Jeugdtraumacentrum (KJTC) van Kenter Jeugdhulp begonnen met het opzetten van een intensieve traumabehandeling.  Toen kwam er een subsidie voorbij vanuit het programma ‘Geweld hoort nergens thuis’ van het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In dit programma werd gezocht naar onderzoeken die konden aantonen welke behandelingen werken voor kinderen die huiselijk geweld hebben meegemaakt. Ze waren hierbij specifiek op zoek naar een behandeling die niet alleen gericht was op het herstellen van traumaklachten bij kinderen en jongeren, maar ook kan bijdragen aan het vergroten van de veiligheid in het gezin. We hebben daar toen op gereageerd en de subsidie toegekend gekregen. Daarna zijn we de intensieve traumabehandeling door middel van interviews met cliënten, wetenschappers en clinici gaan aanpassen aan deze specifieke doelgroep; jongeren die huiselijk geweld hebben meegemaakt. De behandeling is toen meer gezinsgericht gemaakt, zodat hij beter toepasbaar was voor kinderen die huiselijk geweld hebben meegemaakt. Nu zijn we bezig met de onderzoeksfase. Elk behandeltraject begint met een voorbereidingsfase, waarin psychoeducatie wordt gegeven aan het gezin en de jongeren. In de twee weken daarna volgt de intensieve fase, waarin het kind drie behandeldagen per week aangeboden krijgt. Elke behandeldag bestaat uit imaginaire exposure in de ochtend, daarna lichaamsgerichte therapie en ‘s middags EMDR. Tijdens de EMDR-sessie krijgen de ouders of verzorgers ouderbegeleiding. In de vierde week vinden er drie systeemsessies plaats van elk anderhalf uur. Hierin wordt aandacht besteed aan het traumaverhaal van het gezin, de momenten waarop er nog onveiligheid bestaat en hoe ze hier samen aan kunnen werken.

De FITT-behandeling wordt vergeleken met twee andere behandeltrajecten: een ‘treatment as usual’, bestaande uit reguliere traumabehandeling die één keer per week plaatsvindt, en een intensieve traumabehandeling waarbij het gezin niet betrokken wordt. Op deze manier kunnen we kijken of het intensieve karakter meerwaarde heeft, maar ook of het betrekken van het gezin van invloed is op de effectiviteit. De behandelingen worden gegeven in drie verschillende instellingen: het Landelijk Psychotraumacentrum van het UMC Utrecht, GGZ Rivierduinen en het KJTC van Kenter Jeugdhulp.

Het onderzoek is dus gericht op gezinnen waarin huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Betekent dit dat de deelnemers nog in deze onveilige gezinssituatie wonen wanneer zij deelnemen aan het onderzoek?

Om deel te kunnen nemen aan traumabehandeling, mag geen sprake zijn van acute onveiligheid. Soms woont een jongere daarom niet meer thuis, maar bijvoorbeeld in een pleeggezin. Het grootste deel van de jongeren woont nog wel thuis. Vaak is de gezinssituatie dan veranderd of is er hulp ingezet om de veiligheid te vergroten. Toch weten we uit onderzoek dat ook in de gezinnen waar hulp is ingezet, vaak nog steeds onveiligheid blijft bestaan (Steketee et al., 2021). De onveiligheid is niet meer acuut, dus er wordt bijvoorbeeld niet meer geslagen, maar er vinden vaak nog wel incidenten plaats, of er heerst nog emotionele onveiligheid.

In de volwassen-ggz worden intensieve traumabehandelingen al geruime tijd ingezet. Tegenwoordig bieden ook steeds meer jeugd-GGZ instellingen deze behandelingen aan kinderen en jongeren. Hoe komt het dat deze behandeltrajecten winnen in populariteit?

Ongeveer 10 à 15 jaar geleden, zijn we in Nederland steeds meer traumabehandelingen gaan aanbieden binnen de GGZ. Zo is men bijvoorbeeld steeds vaker EMDR gaan toepassen. Doordat we zagen dat deze behandelingen veel positieve resultaten opleverden, zijn we als therapeuten ook minder bang geworden om met trauma’s aan de slag te gaan. Tegelijkertijd werd er opgemerkt dat het voor een bepaalde groep mensen, heel moeilijk was om elke week opnieuw de vermijding te moeten doorbreken. Vaak is dit ook de groep jongeren die veel heeft meegemaakt en bij wie in het dagelijks leven veel onrust speelt.

Problemen die op school of thuis spelen, kunnen het nog lastiger maken om wekelijks aan de slag te gaan met traumatische herinneringen.

We wilden deze jongeren helpen om sneller door die trauma’s heen te kunnen gaan. Vanuit de volwassen-GGZ was PSYTREC een mooi voorbeeld van een manier om sneller trauma’s te behandelen. Hier werd gezien dat er weinig schadelijke effecten waren en weinig uitval was  (Van Woudenberg et al., 2018). Hierdoor werd het gevoel versterkt dat dit ook voor jongeren een goede behandelmethode zou kunnen zijn. Zo zijn steeds meer instellingen ook voor jongeren intensieve behandelingen gaan aanbieden.

Zijn er ook kinderen/jongeren voor wie intensieve traumabehandeling niet geschikt is?

De FITT is niet geschikt voor jongeren bij wie er nog sprake is van acute onveiligheid in het gezin. Verder zien we wel eens jongeren die allerlei trauma-gerelateerde klachten hebben, maar geen last hebben van herbelevingen. Er is dan geen sprake van PTSS. Aangezien de behandeling zich richt op specifieke plaatjes van herinneringen, is het lastig om deze jongeren te behandelen als ze geen plaatjes in hun hoofd hebben. Soms zit het er wel, maar is de vermijding zo sterk dat we daar nog niet bij kunnen komen. Dan is eerst nog wat anders nodig, voordat een jongere klaar is voor een intensieve traumabehandeling. Jongeren kunnen niet deelnemen aan deze behandeling, wanneer er sprake is van ernstige psychotische klachten. Ook kunnen jongeren met verslavingen niet altijd profiteren van deze behandeling. Toch is verslaving geen harde contra-indicatie. Wanneer je afspraken kunt maken over gebruik, bijvoorbeeld dat een jongere geen middelen gebruikt op behandeldagen, is het soms wel mogelijk om deel te nemen.

Er is gekozen om jongeren vanaf 12 jaar (en tot en met 20 jaar) te laten deelnemen aan deze behandeling. Dit heeft te maken met de randomisatie van het onderzoek. Deelnemers weten van tevoren niet in welke behandelconditie ze terecht zullen komen. Wij vonden het niet ethisch om kinderen onder de 12 in te delen in een behandeling waarbij de ouders niet betrokken worden.

Wat onderscheidt FITT van andere ITB-trajecten?

Vaak is het gezin geen onderdeel van de intensieve traumabehandeling, of ouders worden vooral betrokken om hen te kunnen laten fungeren als steunfiguur voor de jongere tijdens de behandeling. FITT gaat hierin verder, zo is er bijvoorbeeld aandacht voor de eigen traumatische stress en opvoedstress van de ouder. Verder is er veel aandacht voor traumasensitief opvoeden. Ouders leren om beter te mentaliseren. Ook worden de triggers van zowel de ouders als het kind in kaart gebracht en wordt getracht om destructieve communicatiepatronen te doorbreken.

Bij FITT ligt daardoor meer focus op de emotionele en fysieke veiligheid in het gezin.

Waarom verwachten jullie dat het betrekken van het gezin van meerwaarde zal zijn voor de behandelresultaten?

Allereerst hopen en verwachten wij natuurlijk dat de behandeling zal bijdragen aan het vergroten van de veiligheid in het gezin. Verder blijkt uit onderzoek onder volwassenen dat traumagerichte behandeling vaak minder effectief is wanneer er sprake is van vroegkinderlijk trauma (Ehring et al., 2014). Het lijkt erop dat deze doelgroep iets anders nodig heeft. We weten ook uit onderzoek dat huiselijk geweld invloed heeft op verschillende onderdelen van het gezin. Zo is de ouder zelf vaak emotioneel minder beschikbaar (Sturge-Apple et al., 2008; Visser et al., 2016), is in de opvoeding vaak sprake van meer negatief en minder positief opvoedgedrag (Osofsky, 2003; Levendosky & Graham-Bermann, 2001) en worden de kinderen daarnaast beïnvloed doordat ze getuige zijn van het geweld en de stress in huis. Hierdoor kunnen ze verschillende klachten ontwikkelen, zoals angst- en PTSS-klachten (Janssens et al., 2019; Tierolf et al., 2014). Gezien de complexiteit van huiselijk geweld en het feit dat het hele gezin beïnvloed wordt, is het gek om alleen het kind te behandelen.

Het is dus een behandeling voor het hele gezin, niet alleen voor het getraumatiseerde kind.

In de Rewind and Fast Forward studie worden alleen kinderen meegenomen die zijn blootgesteld aan huiselijk geweld. Betekent dit dat andere traumatische herinneringen niet kunnen worden behandeld tijdens dit traject?

Nee. Alle jongeren hebben huiselijk geweld meegemaakt, maar vaak is daarnaast ook sprake van andere traumatische herinneringen die niet met huiselijk geweld te maken hebben. Het is immers een kwetsbare doelgroep, die vaak veel heeft meegemaakt. Dit kan bijvoorbeeld seksueel misbruik buiten het gezin zijn of heftige pestervaringen. Ook deze herinneringen kunnen tijdens de FITT worden behandeld. In de eerste week van het traject wordt een clustering gemaakt van de herinneringen. Op basis daarvan wordt bepaald van welke herinneringen de jongeren nu nog het meeste last heeft. Deze herinneringen worden meegenomen in de behandeling.

In deze intensieve behandeling wordt er gebruik gemaakt van ‘therapist rotation’, wat betekent dat elk onderdeel van de behandeling door een andere therapeut wordt uitgevoerd. Is de behandelrelatie niet juist belangrijk voor het behandelsucces?

Bij PSYTREC is vastgesteld dat het wisselen van behandelaren juist van meerwaarde is voor de behandelresultaten. Therapeuten zijn namelijk minder snel geneigd om mee te gaan in de vermijding van de cliënt, wanneer ze als taak hebben om slechts één herinnering te behandelen. Ze gaan doelgerichter te werk. Bovendien is het makkelijker om een cliënt te helpen de vermijding te doorbreken, wanneer je de cliënt minder goed kent. Therapist rotation zorgt dus voor minder vermijding (Van Minnen et al., 2018). Zelf hebben we ook aan jongeren en therapeuten gevraagd hoe ze het vonden om deel te nemen aan de FITT. Jongeren gaven aan dat ze het prettig vonden om in korte tijd zoveel trauma’s te kunnen behandelen en dat ze het wisselen van therapeuten niet zo erg vonden. Eén familielid gaf aan dat zij het juist heel steunend vonden dat het hele team betrokken was bij de behandeling, de jongere voelde zich hierdoor echt gezien. Verder gaf een jongere aan dat ze het idee had dat haar familieleden na de behandeling sensitiever geworden waren en beter konden reageren op haar.

Therapeuten geven vaak aan dat het prettig is om intensief als team met elkaar samen te werken en de behandeling samen te kunnen dragen. Ook houd je elkaar zo scherper op het correct toepassen van de technieken.

Je bent naast onderzoeker ook GZ-psycholoog in opleiding tot klinisch psycholoog. Hoe vind je het om wetenschap en klinische praktijk te combineren?

Ik vind dat heel leuk. Ik vind het heel fijn om afwisseling te hebben in werkzaamheden: de ene dag heel druk en dynamisch aan de slag met cliënten, en de andere dagen rust om uit te zoomen. Hierdoor kun je op overstijgend niveau nadenken over de doelgroep. Ik merk dat ik cliënten voor me zie als ik onderzoeksartikelen lees. En tegelijkertijd kan ik in contact met cliënten ook beter uitzoomen en de theorie erbij halen. Het helpt mij dus om zowel de theorie als de cliënten beter te begrijpen.

Referenties:

Ehring, T., Welboren, R., Morina, N., Wicherts, J. M., Freitag, J., & Emmelkamp, P. M. G. (2014). Meta-analysis of psychological treatments for posttraumatic stress disorder in adult survivors of childhood abuse. Clinical Psychology Review, 34(8), 645–657. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2014.10.004

Janssens, K., Volaart, M., Doonink, N., Schakenraad, W., Kooijman, R., & Kooijman, K. (2019). Deskresearch huiselijk geweld en kindermishandeling. In het kader van het onderzoeks- en kennisprogramma ‘Geweld hoort nergens thuis’. Nji en Movisie. https://www.zonmw.nl/fileadmin/zonmw/documenten/Jeugd/Kindermishandeling/Deskresearch_huiselijk_geweld_en_kindermishandeling.pdf

Levendosky, A. A., & Graham-Bermann, S. A. (2001). Parenting in battered women: The effects of domestic violence on women and their children. Journal of Family Violence, 16(2), 171–192. https://doi.org/10.1023/A:1011111003373

Osofsky, J. D. (2003). Prevalence of children’s exposure to domestic violence and child maltreatment: Implications for prevention and intervention. In Clinical Child and Family Psychology Review (Vol. 6, Issue 3, pp. 161–170). https://doi.org/10.1023/A:1024958332093

Steketee, M. J., Tierolf, B., Lünnemann, K., & Lünnemann, M. K. M. (2021). Kwestie van lange adem: kan huiselijk geweld echt stoppen. https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2021/02/216037_Kwestie_van_lange_adem-WEB.pdf

Sturge-Apple, M. L., Davies, P. T., Winter, M. A., Cummings, E. M., & Schermerhorn, A. (2008). Interparental Conflict and Children’s School Adjustment: The Explanatory Role of Children’s Internal Representations of Interparental and Parent-Child Relationships. Developmental Psychology, 44(6), 1678–1690. https://doi.org/10.1037/a0013857

Tierolf, B., Lünnemann, K., & Steketee, M. (2014). Doorbreken geweldspatroon vraagt gespecialiseerde hulp. Onderzoek naar effectiviteit van de aanpak huiselijk geweld in de G4. https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2020/07/1366_Doorbreken-geweldspatroon-vraagd-gespecialiseerde-hulp_Web-2.pdf

Van Minnen, A., Hendriks, L., Kleine, R. De, Hendriks, G. J., Verhagen, M., & De Jongh, A. (2018). Therapist rotation: a novel approach for implementation of trauma-focused treatment in post-traumatic stress disorder. European Journal of Psychotraumatology, 9(1), 1492836. https://doi.org/10.1080/20008198.2018.1492836

Van Woudenberg, C., Voorendonk, E. M., Bongaerts, H., Zoet, H. A., Verhagen, M., Lee, C. W., van Minnen, A., & De Jongh, A. (2018). Effectiveness of an intensive treatment programme combining prolonged exposure and eye movement desensitization and reprocessing for severe post-traumatic stress disorder. European Journal of Psychotraumatology, 9(1), 1487225. https://doi.org/10.1080/20008198.2018.1487225

Visser, M., Schoemaker, K., de Schipper, C., Lamers-Winkelman, F., & Finkenauer, C. (2016). Interparental Violence and the Mediating Role of Parental Availability in Children’s Trauma Related Symptoms. Journal of Child and Adolescent Trauma, 9(2), 115–125. https://doi.org/10.1007/s40653-015-0071-y

CategoryNB-Jun22, Nieuwsbrief
© 2022 NTVP - All Rights Reserved