NtVP interview met Manik Djelantik: Naar een beter begrip van traumatische rouw

Door: Marthe Egberts 

“Ik zou behandelaren adviseren rouw altijd uit te vragen bij mensen die te maken hebben gehad met trauma en verlies”, zegt Manik Djelantik, promovenda bij Arq Nationaal Psychotrauma Centrum en de Universiteit Utrecht. Op vrijdag 6 maart verdedigt zij haar proefschrift, getiteld ‘ Traumatic grief: Connecting prolonged grief, posttraumatic stress, and depression symptoms in traumatically, and non-traumatically bereaved individuals’. In de afgelopen jaren werkte zij onder supervisie van prof. dr. Paul Boelen, prof. dr. Rolf Kleber en prof. dr. Geert Smid aan haar onderzoek. Naast haar werk als onderzoeker is zij ook in opleiding tot psychiater. Wat zijn de belangrijkste bevindingen uit haar onderzoek? En hoe beleeft zij de combinatie van onderzoek en klinisch werk? 

Hoe kwamen jullie op het idee voor dit promotieonderzoek?

Veel van de eerdere onderzoeken over de psychische gevolgen van verlies voor nabestaanden richtten zich op één specifieke stoornis, bijvoorbeeld een posttraumatische stress stoornis (PTSS), depressieve stoornis, of een persisterende complexe rouwstoornis. Of er werd gekeken naar de verschillen tussen deze stoornissen. De werkelijkheid is echter dat er veel co-morbiditeit is en dat symptomen van verschillende stoornissen vaak samen voorkomen. Dat merkte ik ook als psychiater in de klinische praktijk. In de praktijk kies je dan vaak wat de belangrijkste stoornis is en die ga je vervolgens behandelen. Maar zowel vanuit theoretisch als klinisch perspectief is het interessant om verder te kijken dan die diagnostische classificaties. De uitgangsvraag van dit promotieonderzoek werd daarom hoe we deze samenhang tussen symptomen beter kunnen begrijpen na een verlies.

Je hebt verschillende perspectieven op psychopathologie en co-morbiditeit gebruikt. Kan je deze toelichten?

Allereerst hebben we gebruik gemaakt van het categorisch perspectief, waarbij er wordt gekeken of er wel of geen sprake is van aanwezigheid van een psychische stoornis, zoals in het huidige DSM-systeem. Als tweede hebben we een dimensioneel perspectief gebruikt, waar je de ernst van de symptomen onderzoekt. Ten derde een person-centered perspectief, waarbij je kijkt welke verschillende symptomen er binnen één persoon aanwezig zijn. De laatste manier die we gebruikt hebben was het netwerkperspectief. Hierbij kijk je op groepsniveau hoe symptomen zich tot elkaar verhouden en hoe ze elkaar beïnvloeden. Met deze perspectieven konden we verschillende vragen beantwoorden en een meer overkoepelend beeld van reacties van nabestaanden krijgen. We hebben ook een diverse groep aan nabestaanden onderzocht, namelijk Nederlandse nabestaanden, personen die naar een psychotraumacentrum zijn verwezen, vluchtelingen, en nabestaanden van verkeersslachtoffers op het Indonesische eiland Bali.

Met een meta-analyse onderzocht je vanuit het categorisch perspectief de incidentie van een persisterende complexe rouwstoornis bij nabestaanden van een verlies. Wat was je belangrijkste bevinding?

De prevalentie van een complexe rouwstoornis bij de groep mensen die een traumatisch verlies hadden meegemaakt was 49%. We vonden dat de kans op een persisterende complexe rouwstoornis na een traumatisch verlies vijf keer hoger was dan bij een niet-traumatisch verlies. Bij een traumatisch verlies kan je denken aan overlijden na een ongeval, moord, of suïcide.

Ook heb je onderzocht of er subgroepen van nabestaanden te onderscheiden zijn op basis van symptomen van psychopathologie. Welke groepen kon je onderscheiden?

We namen hierin zowel symptomen van persisterende complexe rouw, posttraumatische stress, als depressie mee en vonden dat er drie groepen te onderscheiden waren. De eerste groep had vooral last van persisterende complexe rouwklachten, de tweede ervaarde zowel persisterende complexe  rouw als posttraumatische stress klachten, en de laatste groep had lage scores op alle symptomen. Wederom zagen we een voorspellend effect van traumatisch verlies; mensen die te maken hadden gehad met een traumatisch verlies hadden vaker een combinatie van rouwklachten en posttraumatische stress. Opvallend was dat we geen groep vonden die alleen last had van depressieve symptomen. Dat impliceert dat je bij nabestaanden die aangeven last te hebben van depressieve klachten, ook altijd moet doorvragen naar symptomen van rouw en posttraumatische stress.

Meer bewijs voor de belangrijke rol van persisterende complexe rouwklachten vond je in een longitudinaal onderzoek, in een onderzoek waar je het netwerk van symptomen onderzocht, en in een behandelstudie bij vluchtelingen. Welke rol speelden rouwklachten?

Uit het longitudinale onderzoek kwam naar voren dat meer symptomen van persisterende complexe rouw in het eerste jaar na het verlies voorspellend waren voor meer posttraumatische stress symptomen in het tweede jaar. Andersom was dat niet het geval; posttraumatische stress in het eerste jaar voorspelde niet meer persisterende complexe rouw op de langere termijn. Dit zou kunnen impliceren dat je door het behandelen van persisterende complexe rouwklachten, de ontwikkeling van posttraumatische stress kan voorkomen. In een behandelstudie bij vluchtelingen die te maken hadden gehad met verlies en last hadden van een combinatie aan klachten, vonden we inderdaad dat behandeling gericht op rouw zorgde voor zowel een daling in persisterende complexe rouwklachten als posttraumatische stress. Ook in de studie waarin we een netwerkanalyse uitvoerden, zagen we de relevantie van rouwklachten. Deze symptomen bleken namelijk centraal te staan in het patroon van klachten en verbindend te zijn tussen depressie en PTSS. Met name symptomen die te maken hadden met ‘sociale isolatie’ en ‘verminderd zelfgevoel’ bleken belangrijk bij het in stand houden van de co-morbiditeit en zijn dus mogelijke aanknopingspunten voor behandeling. Een vraag die we ook probeerden te beantwoorden is welke symptomen van complexe rouw het meest voorspellend waren voor klachten op de lange termijn. Dat lijken vier symptomen, namelijk ‘ een hevig verlangen naar de overledene’, ‘verbijsterd zijn over het overlijden’, ‘het gevoel dat het leven zinloos is zonder de naaste’, en ‘een gevoel van boosheid over het overlijden’. Op basis daarvan hebben we een screeningtool ontwikkeld, die hopelijk toegepast gaat worden in de praktijk.

Welke overwegingen kunnen behandelaren maken op basis van deze resultaten?

Ik zou behandelaren adviseren persisterende complexe rouw altijd uit te vragen bij mensen die te maken hebben gehad met trauma en verlies. Daarnaast is een focus op de persisterende complexe rouw in de behandeling van deze personen het overwegen waard.

Wat maakt een behandeling gericht op rouw anders dan andere behandelingen?

Bij een behandeling van bijvoorbeeld PTSS staat naar mijn mening het verminderen van angst op de voorgrond. Je wilt mensen leren dat het trauma achter hen ligt en bij hen de angst verminderen dat het nog een keer gebeurt. In een behandeling gericht op persisterende complexe rouw gaat het meer over het verlangen naar de overledene en het accepteren van het verlies.

Waar moet onderzoek zich in de toekomst volgens jou op richten?

Op dit moment is één van de belangrijkste doelen in het onderzoek naar rouw dat rouw-onderzoekers wereldwijd tot consensus komen over de precieze criteria van een rouwstoornis. Dit is natuurlijk ingewikkeld, omdat rouw ook een natuurlijk proces is en het verschil tussen normale rouw en een rouwstoornis mede wordt beïnvloed door culturele en sociale normen over rouwverwerking. Ik pleit voor meer samenwerking tussen verschillende rouw-onderzoekers om tot een consensus te komen. Daarnaast zou ik het interessant vinden om de perspectieven die ik heb gebruikt in mijn proefschrift verder toe te passen. Zo zouden we bijvoorbeeld meer te weten kunnen komen over de ontwikkeling en interactie van rouw, posttraumatische stress en depressie in het eerste jaar na het verlies. Ook is het interessant om te kijken naar behandeling van co-morbiditeit; zijn er symptomen van rouw, posttraumatische stress of depressie die eerder opknappen dan andere symptomen?

Een ander aspect dat ik interessant vind, is de rol van culturele, sociale en religieuze processen. Ik heb ook onderzoek gedaan bij nabestaanden van verkeersdoden in Bali, waar we een veel lagere prevalentie vonden van psychopathologie, vergeleken met andere landen. Deze bevinding laat zien dat er nog zoveel is dat we niet weten. Deze processen zou ik graag beter willen begrijpen.

Jij hebt zelf ook ervaring als behandelaar. Hoe heeft je ervaring uit de praktijk je geholpen in je onderzoek?

Door het werk in de praktijk krijg ik inspiratie voor onderzoek. De vraag voor het huidige promotieonderzoek is hier een goed voorbeeld van, dat kwam uit de praktijk. Doordat de behandeling voor PTSS soms niet goed aansloeg, vroeg ik me af hoe dat kwam en of persisterende complexe rouw hier een rol in speelde. Ook was co-morbiditeit iets waar ik mee worstelde en waar ik me door middel van onderzoek meer op ben gaan richten.

En wat neem je vanuit je onderzoek mee de praktijk in?

De verschillende perspectieven op psychopathologie en co-morbiditeit heb ik echt in mijn werk als onderzoeker opgedaan, maar zijn zeer relevant voor mijn klinisch werk. Ik ben toch voornamelijk opgeleid in het categorisch denken, met een focus op stoornissen en diagnoses. Door mijn onderzoek heb ik genuanceerder leren denken over co-morbiditeit en hoe daar mee om te gaan in de behandeling. Daarnaast kan ik als psychotherapeut nu patiënten behandelen met persisterende complexe rouw klachten naast posttraumatische stress.

Wil je in de toekomst blijven werken als scientist-practioner? Wat zijn voor jou de voor- en nadelen hiervan?

Dat wil ik zeker, ik ga nu eerst mijn opleiding tot psychiater afronden. Als voordelen zie ik dat je door de combinatie kritisch kan blijven kijken naar je eigen handelen en de praktijk inspiratie geeft voor onderzoek. Daarnaast is de afwisseling heel fijn. Soms is het lastig een goede balans te vinden in het klinisch werk en het onderzoek. Maar uiteindelijk wegen de voordelen zeker op tegen de nadelen.

De promotie van Manik Djelantik vindt plaats op 6 maart in het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht. Meer informatie over de promotie vindt u hier.

CategoryNieuws
© 2020 NTVP - All Rights Reserved