NtVP interview met Anne-Laura van Harmelen: Veerkracht na jeugdtrauma- Wat maakt dat iemand opkrabbelt en hoe werkt weerbaarheid?

Een interview met Anne-Laura van Harmelen

Door Marie-Louise Kullberg (PhD student Universiteit van Leiden en lid communicatiegroep NtVP)

We are in this together. Het coronavirus is een wereldwijde epidemie met mogelijk verstrekkende gevolgen voor fysieke én mentale gezondheid. De dringende adviezen om fysieke afstand te houden en sociaal contact te minimaliseren kunnen zwaar vallen, vooral bij mensen die psychisch kwetsbaar zijn.

“Om zo goed mogelijk te functioneren in tijden van stress en er met zijn allen straks weer boven op te komen, is juist sociale steun belangrijk. Met collega’s, vrienden en familie (online) praten over stress, over je zorgen of als afleiding daarvan, kan veerkracht verhogen in tijden van stress en afstand”, zegt Anne-Laura van Harmelen. Zij leidt het Risk & Resilience Lab in Cambridge waar ze onder meer psychische veerkracht na jeugdtrauma bestuderen. “De weg naar veerkracht en herstel van jeugdtrauma is complex en verdient onderzoek waarmee die complexiteit in kaart kan worden gebracht.” In haar recente artikel in BMC Medicine breekt Anne-Laura een lans voor het bestuderen van veerkracht als dynamisch complex model, waarbij interdisciplinaire samenwerking essentieel is: “Je kan niet in je eentje het grote systeem bestuderen.” Acht vragen aan deze wetenschapper.

1. Waar draait het onderzoek van de Risk & Resilience groep om?

In brede zin onderzoeken we de neurobiologie van veerkracht (in het Engels ‘resilience’) na jeugdtrauma. Veel onderzoek hiernaar in de ontwikkelingspsychologie kijkt steeds naar één uitkomst, bijvoorbeeld de aanwezigheid van psychopathologie óf het sociaal-cognitief functioneren na trauma.

Eigenlijk is dat te simpel als we veerkracht willen onderzoeken. We willen juist weten wie het beter doen dan verwacht over de verschillende domeinen heen: lichamelijk, mentaal, sociaal én cognitief. Zo krijgen we een compleet en realistisch beeld over wat iemand veerkrachtig maakt.

Op populatieniveau, dus in het algemeen voor groepen mensen, geldt dat hoe meer nare dingen iemand heeft meegemaakt, hoe slechter iemand het gemiddeld doet qua mentale gezondheid, schoolprestaties, gedragingen, enzovoorts. Maar er zijn altijd individuen die het beter of slechter doen dan gemiddeld. En door juist die mensen te besturen die het beter doen dan gemiddeld, hopen wij meer te leren over de processen die maken dat mensen er bovenop kunnen komen na nare ervaringen.

2. Er bestaat sinds jaar en dag discussie over de definitie van veerkracht. Wat versta jij onder veerkracht en hoe heeft het veld van de neurobiologie hiermee te maken?

Veerkracht is niet één ding, het is een dynamisch proces waarbij na stress positieve aanpassing plaatsvindt. Dat meten we door te kijken naar stressreacties en naar hoe iemand na stress functioneert. Wat kun je verwachten van iemands functioneren en hoeveel beter doet iemand het dan verwacht?
Veel van deze bevindingen zijn nog niet vertaald naar de neurobiologie. In het brein vergeleken we tot nu toe vooral groepen met en zonder een geschiedenis van mishandeling en verwaarlozing. De relatie met veerkracht is nog niet veel onderzocht: die brug wordt nu geslagen.

3. Jullie recente artikel in BMC Medicine beschrijft en illustreert mooi de complexe dynamische neurobiologie van veerkracht. Hoe is dit uitgebreide paper tot stand gekomen en hoe werd het ontvangen?

Het stuk begon als een soort review. We wisten dat er legio factoren een rol spelen bij hoe goed iemand functioneert na nare jeugdervaringen en die wilden we beschrijven. Bijvoorbeeld: sociale steun speelt een belangrijke rol bij resilient functioning na jeugdtrauma, er zijn ook belangrijke aspecten binnen een persoon, bijvoorbeeld in het brein. Al die factoren zijn onderling verbonden. Met deze review wilden we laten zien dat alle domeinen van resilient functioning met elkaar te maken hebben: van de neurobiologische processen, de genetica en het immuunsysteem tot het sociaal functioneren.
Het is interessant om te zien dat sommige onderzoekers op dit artikel reageren met ‘maar wat is nou het állerbelangrijkste dat mensen veerkrachtig maakt?’ Terwijl we met onze review wilden laten zien dat er nou juist niet één sleutelfactor voor veerkracht is, maar dat veerkracht afhangt van een complex dynamisch netwerk van factoren binnen en buiten personen dat maakt dat iemand goed functioneert na trauma.

4. ‘What does not kill us, makes us stronger’ wordt ook wel het steeling effect genoemd. Hoe denk je over dit effect?

Dit steeling effect is veel onderzocht in dierstudies, maar ook in mensen is er evidentie voor dit fenomeen, al zijn er wel kanttekeningen te plaatsen bij dit onderzoek. Veel onderzoek, ook mijn eigen studies, naar jeugdtrauma is cross-sectioneel. Dat wil zeggen dat het gaat over een momentopname in de tijd. Deze onderzoeken laten zien dat veerkracht voorkomt bij mensen die jeugdtrauma rapporteren, maar door de éénmalige meting weten we niet of deze aspecten hen echt stronger hebben gemaakt. Zo weten we bijvoorbeeld dat de amygdala reactiever is bij personen met een geschiedenis van mishandeling en verwaarlozing dan bij personen zonder deze nare ervaringen. Maar we weten nog niet goed wat dit betekent: is het een negatief effect van de mishandeling dat mensen gevoeliger maakt voor emotionele situaties, of is het (positieve) adaptatie en helpt het deze mensen door sneller emotionele situaties goed in te schatten? Ten slotte zou het ook kunnen dat deze reactiviteit er al was voor de mishandeling en erfelijk is. Wellicht was het de reden waarom ouders hun kind misschien niet goed konden opvoeden, door hun eigen moeite met het inschatten van sociale situaties. Om deze puzzel op te lossen zijn grote prospectieve en longitudinale studies nodig waarbij we ook de koppeling met psychische klachten en (resilient) functioneren maken.

5. Welke aspecten vergroten veerkracht na jeugdtrauma?

Het hebben van vriendschappen en sociale steun tijdens de adolescentie hangt sterk samen met veerkracht. Maar het blijft belangrijk het vanuit de complexiteit te benaderen: zoveel aspecten maken hoe goed iemand het doet op alle domeinen van functioneren. Die complexiteit betekent bijvoorbeeld dat er niet één gen resilient functioning bepaald, maar dat er een hele reeks van invloeden is: meerdere genen (polygenie), het immuunsysteem, de hersenen, iemands persoonlijkheid, enzovoorts.

Om een voorbeeld te geven van de hele keten van invloeden: het meemaken van mishandeling kan zorgen voor langdurige verhoogde activiteit van de HPA-as waardoor te veel stresshormoon cortisol wordt aangemaakt. Dit resulteert in chronische stress. Cortisol remt bovendien over langere tijd onder andere het immuunsysteem. Dat betekent dat bij een chronisch verhoogd cortisolniveau de natuurlijke remmende werking van dit hormoon ‘stuk’ is, waardoor het immuunsysteem blijft activeren. Tegelijkertijd kunnen vriendschap en sociale steun juist hersenreactiviteit en de cortisolreactie op stress verlagen en zo een buffer vormen tegen langdurige stress.

Al met al kunnen we deze biologische, neurologische, omgevings- en gedragsfactoren niet los van elkaar zien. Het is een groot systeem waarbij we niet alleen naar een los aspect kunnen kijken.

6. Hoe zie jij de toekomst in het onderzoek naar veerkracht? Welke stappen zijn er nu nodig?

Bij onderzoek naar jeugdtrauma is bijna onmogelijk om voor- en nametingen te doen. Daarom kunnen we resilient functioning alleen als uitkomstmaat van de nare ervaringen bekijken. Om het mechanisme en proces toch beter te begrijpen doen we nu studies bij mensen met een geschiedenis van mishandeling en verwaarlozing in de jeugd en hun functioneren voor en na het ervaren van een nieuwe stressor. Hoe verandert dan hun immuunsysteem, hun hersenactiviteit en hun gedrag?
Studies die naar het functioneren na jeugdtrauma over een langere tijd – d.w.z. maanden of jaren – kijken, maken het mogelijk om vragen te beantwoorden zoals: welk (neurobiologisch) fenomeen voorspelt resilient functioning? Is zo’n fenomeen stabiel of varieert het over tijd? En is het een genetische kwetsbaarheid of kunnen we het beïnvloeden en aanpassen? Bij dit soort onderzoek is integratie met alle verschillende aspecten en domeinen erg van belang aangezien veerkracht een complex systeem is. Het is eigenlijk een dynamisch netwerk van biologische, neurologische, psychologische en genetische factoren die kunnen veranderen over tijd.

In mijn ogen moeten er in het veld twee dingen gebeuren. Onderzoekers moeten interdisciplinair samenwerken: je kan niet in je eentje het grote systeem bestuderen. En intensieve en longitudinale studies moeten worden opgezet waarbij complexe statistiek nodig is om bevindingen in kaart te brengen.

7. Wat kan de klinische praktijk met jullie onderzoek?

Als we weten welk deel van resilient functioning (genetische) aanleg is, dan kan je met therapie doelgericht inzetten op componenten die wél veranderbaar zijn, zoals bepaalde cognitieve functies of omgevingsfactoren. Ook leren we door het onderzoek waar problemen of bepaald gedrag vandaan komen: patiënten kunnen ook ouders hebben (of zelf zijn) die vanuit onmacht of onwetendheid hun kinderen mishandelen of verwaarlozen. Als bijvoorbeeld een genetische invloed op amygdala-activiteit ertoe leidt dat zij reacties van hun kinderen niet begrijpen, dan is dat erg belangrijk om te weten. Bijvoorbeeld, in de kindertijd kan (hyper-)gevoeligheid van de amygdala een positieve adaptieve reactie zijn op een stressvolle omgeving (bijvoorbeeld door mishandeling of verwaarlozing) om zo negatieve confrontaties te vermijden. Maar op lange termijn kan dit iemand kwetsbaar maken voor psychische stoornissen. Met het oog op preventie en behandeling van psychische klachten is dit nuttige informatie. Zo kunnen we met interventies inspelen op deze ‘ingesleten’ reactie op de (stressvolle) omgeving.

8. Als laatste: hoe kunnen we veerkracht bevorderen?

Het is goed om te realiseren dat veerkracht niet statisch is. Iemand is niet helemaal wel óf helemaal niet veerkrachtig. Hoe iemand op stress reageert fluctueert: het kan goed zijn dat een persoon op dit moment heel veerkrachtig is, maar over een maand niet meer. Bovendien kan je met de juiste tools veerkracht aanleren en trainen. Door veerkracht beter te begrijpen kunnen we zoeken naar die tools, zoals sociale steun. Hoe we veerkracht van het immuunsysteem of het brein kunnen vergroten weten we nog niet. Als we hier meer over leren kunnen we handvatten ontwikkelen om veerkracht over de verschillende functioneringsdomeinen heen te versterken.
Wat als tweede goed is om te realiseren, is dat de mate van veerkracht niet alleen afhankelijk is van factoren binnen een persoon, zoals genen, hersenactiviteit, persoonlijkheid, maar ook van de omgeving, zoals het sociale systeem, iemands achtergrond en cultuur. Als iemand door bijvoorbeeld een sterke hormonale reactie op stress of door genetische aanleg niet veerkrachtig is, kunnen culturele of sociale aspecten toch maken dat veerkrachtig functioneert.

Biografie.

Biografie. Dr. Anne-Laura van Harmelen is hoofd van de Risk & Resilience Group, een onderzoeksgroep voor ontwikkelingspsychopathologie aan de universiteit van Cambridge. Samen met haar groep onderzoekt ze welke mechanismen veerkracht bevorderen bij adolescenten met een geschiedenis van nare ervaringen. Na haar promotieonderzoek naar de invloed van mishandeling en verwaarlozing in de jeugd op het brein en cognities in Leiden, richtte ze zich met een Rubiconsubsidie op de vraag welke interpersoonlijke factoren in adolescentie kunnen helpen na het meemaken van jeugdtrauma. Ze vond dat vriendschap en sociale steun een belangrijke beschermende rol spelen. Onlangs publiceerde ze in BMC Medicine over de complexe neurobiologische systemen die een rol spelen bij resilient functioning na jeugdtrauma.

CategoryNB-Apr20, Nieuwsbrief
© 2020 NTVP - All Rights Reserved