Interview met Eva Visser over de psychische impact van een ongeval: ‘Goede communicatie kan het welzijn bevorderen’

Door Iris van Dijk, promovenda bij de Universiteit Utrecht

‘Patiënten voelen zich minder hulpeloos wanneer ze weten wat ze kunnen verwachten’, vertelt Eva Visser, promovenda bij Tilburg University en het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis. Op 1 oktober 2021 verdedigt zij haar proefschrift ‘Psychological impact of physical trauma’. Samen met prof. dr. Jolanda de Vries, dr. Brenda den Oudsten en dr. Taco Gosens doet ze onderzoek naar de psychologische gevolgen en kwaliteit van leven van patiënten na een ongeval. We vroegen haar naar de belangrijkste bevindingen van het onderzoek en hoe de resultaten te vertalen zijn naar de praktijk.

Waarom ben je geïnteresseerd in dit onderwerp? 

Toen ik in 2008 mijn bachelorthese “Kwaliteit van leven na een heupfractuur” bij prof. dr. Jolanda de Vries schreef, nu ook mijn promotor, viel me al op dat er heel weinig onderzoek gedaan is naar de psychologische gevolgen en kwaliteit van leven na een ongeval. Het is een onderbelicht aspect, terwijl een ongeval grote gevolgen kan hebben. Zo kan het voorkomen dat iemand niet meer volledig herstelt. In geval van een heupfractuur, overlijdt een groot aantal mensen binnen een jaar na een val.

Zeven jaar na het schrijven van mijn bachelorthese startte ik mijn promotieonderzoek naar de psychologische gevolgen na een ongeval. Ik houd van uitdagingen en omdat dit een onderwerp is dat nog weinig onderzocht is, was ik erg geïnteresseerd en vooral ook erg nieuwsgierig hoe de puzzelstukjes precies in elkaar zitten.

Jouw onderzoek richtte zich op patiënten die een fysiek trauma hebben meegemaakt. Kan je iets meer vertellen over deze doelgroep die je hebt onderzocht?

Mijn onderzoek is uitgevoerd in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) in Tilburg. Dat is een level-1 traumacentrum, wat betekent dat alle ernstige ongevalsslachtoffers van Noord-Brabant naar het ETZ worden gebracht. Er staat 24/7 een traumateam (bijvoorbeeld een traumachirurg, anesthesioloog, neurochirurg, SEH-arts en verpleegkundigen) paraat, dat direct op het hoogste niveau traumazorg kan leveren. Op basis van het type ongeval en letsels wordt bepaald of iemand een traumascreening en behandeling van het traumateam krijgt. Een vereiste voor mijn onderzoek was dat de deelnemers gescreend en behandeld zijn door het traumateam op een traumakamer, omdat dit iets zegt over de ernst van het ongeval en mogelijk letsel.

Je onderzocht de ervaringen en het welbevinden van deze patiënten. Hoe heb je dit bestudeerd? En wat waren je belangrijkste bevindingen?

Als onderdeel van een mixed-method studie, hebben we een focusgroepen-studie verricht. We waren benieuwd wat de ervaringen en het welbevinden van traumapatiënten zijn en welke factoren het welzijn belemmeren of bevorderen. Er zijn zes groepsdiscussies geweest met een gemixte groep van mensen met verschillende leeftijden en geslacht en van mensen met een enkele kneuzing tot mensen die lang op de IC hebben gelegen door ernstige meervoudige letsels.

Patiënten beschrijven verschillende problemen op lichamelijk welzijn. Zo zijn patiënten met zowel milde als ernstige letsels niet volledig hersteld 12 maanden na het ongeval. Daarnaast beschrijven patiënten consequenties voor psychologisch welzijn, zoals angst om dood te gaan of angst voor permanente lichamelijke beperkingen. Ook ervaren ze veranderingen in (zelfgerapporteerde) persoonlijkheid, gedrag en cognitieve klachten, zoals geheugen- of concentratieproblemen. Patiënten omschrijven ook symptomen van Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) als gevolg van hun ongeval. Problemen met het sociale welzijn zijn zichtbaar in de impact van het ongeval op familie, de behoefte aan sociale steun en financiële problemen als gevolg van hun ongeval. Deze lichamelijke, psychologische en sociale consequenties belemmeren het welzijn van de patiënten. Daarentegen kan goede communicatie het welzijn bevorderen. Patiënten illustreren dat helderheid over het ongeval, prognose en verwachtingen over het herstel en toekomstperspectief, hen kan helpen om zich over te geven aan de behandelingen.

Patiënten voelen zich minder hulpeloos wanneer ze weten wat ze kunnen verwachten. Dit draagt bij aan tevredenheid met de traumazorg en het herstel.

Je vond dat de kwaliteit van leven bij de patiënten zich na het fysieke trauma op verschillende manieren kan ontwikkelen. Kun je wat meer vertellen over deze verschillende ontwikkelingen? Wat waren belangrijke voorspellers van het beloop van kwaliteit van leven?

Het doel van de observationele cohortstudie is het beloop, door middel van latente trajecten, van Kwaliteit van Leven (KvL) te bestuderen tot 12 maanden na het ongeval. Voor de verschillende domeinen van KvL, zijn vier latente trajecten gevonden voor ‘Psychologische gezondheid’ en ‘Omgeving’, vijf trajecten voor ‘Fysieke gezondheid’ en ‘Sociale relaties’ en zeven trajecten voor ‘Algehele KvL en gezondheid’. Na deze analyses is een risicoprofiel bepaald. Patiënten met een verhoogd risico op verminderde kwaliteit van leven, laten symptomen van angst, depressie, acute stresstoornis, PTSS, en de karaktereigenschappen neuroticisme en angst zien. Er zijn over het algemeen geen sociodemografische (leeftijd, geslacht, opleidingsniveau) en klinische (letselernst, aantal letsels, IC opname en opnameduur) karakteristieken gevonden.

Ondanks dat bijna alle trajecten stabiel zijn, is er een traject gevonden dat herstel van slechte naar goede KvL laat zien. Patiënten in deze klasse hadden significant minder PTSS-symptomen en depressieve symptomen, een minder hoge score op neuroticisme en angst als karaktereigenschap en een hogere score op extraversie dan patiënten in andere trajecten. Ook werden in het hersteltraject meer vrouwen gevonden, die hoger opgeleid zijn en langere ziekenhuisopname hadden dan patiënten uit andere trajecten.

Binnenkort hopen we eenzelfde soort studie te publiceren waarbij we de latente trajecten van PTSS hebben onderzocht en een risicoprofiel voor PTSS hebben ontwikkeld.

Ook onderzocht je door middel van een systematische review van 45 studies onder andere belangrijke factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van PTSS en een acute stressstoornis. Zo vond je bijvoorbeeld dat mensen die alleen wonen bijna een 10 keer zo grote kans hebben om PTSS te ontwikkelen 12 maanden na het trauma dan mensen die niet alleen wonen. Wat zou daarvoor een verklaring kunnen zijn?

Een verklaring zou het belang van sociale steun kunnen zijn.

Ik verwacht dat mensen met minder sociale steun meer problemen in het herstel ervaren en meer kans hebben op het ontwikkelen van PTSS. Dit is ook één van de resultaten uit onze focusgroepen studie.

Voornamelijk oudere deelnemers beschreven dat het herstel pittiger was als ze meer afhankelijk zijn van anderen en minder sociale steun ervaren. Dit was vaak het geval bij mensen die alleen zijn (v.b. weduwe/weduwnaar) of kinderen hebben die niet in de buurt wonen.

Zou jij pleiten voor een screeningsinstrument voor clinici in het ziekenhuis om problemen en/of risicofactoren van patiënten zo snel mogelijk te kunnen herkennen? Zo ja, hoe denk jij dat dit eruit kan komen te zien?

Ja! Tijdens mijn promotietraject heeft mijn collega Maria Karabatzakis een screeningsinstrument ontwikkeld: de PSIT. Dit is een gevalideerd en effectief instrument, waarbij verschillende psychologische factoren worden uitgevraagd, zoals angst en depressieve symptomen. Hij wordt in het ETZ ingezet bij de nazorgpoli voor IC-, neuro- en traumapatiënten. Als blijkt dat iemand verhoogde scores heeft, dan kan psychologische nazorg ingezet worden.

Je noemt in jouw onderzoek dat een selectiebias er mogelijk toe heeft bijgedragen dat patiënten die het moeilijk vinden om te praten over psychische problemen wellicht daarom niet hebben deelgenomen. Dit lijkt een belangrijk punt in traumaonderzoek. Heb jij ideeën over hoe die selectiebias zo klein mogelijk gemaakt kan worden?

Ik denk dat bij clinici kennis en bewustwording van de psychologische gevolgen na een ongeval nodig is om zijn het belang van het onderzoek uit kunnen leggen aan mogelijke deelnemers. Daarnaast is meer multicenter onderzoek nodig om de selectiebias te verlagen en een verscheidenheid aan deelnemers te bewerkstelligen.

Je werkt ook als psycholoog in de medische sector. Wat neem jij vanuit jouw onderzoek de praktijk in? 

Afgelopen jaar heb ik, na mijn promotieonderzoek, het klinische werk als psycholoog weer opgepakt bij de afdeling Medische Psychologie in het ETZ. Onlangs heb ik de overstap gemaakt naar de revalidatie en werk ik bij Revant in Breda. Ik heb die overstap gemaakt, omdat ik tijdens mijn promotieonderzoek heb gezien hoe belangrijk het is om een patiënt vanuit verschillende disciplines te begeleiden op weg naar herstel. De vele gesprekken die ik met traumapatiënten heb gehad, spelen daar een belangrijke rol in.

Waar zou toekomstig onderzoek zich op kunnen richten?

Hierboven heb ik al een aantal suggesties gegeven. Ik denk dat vooral een multicenter studie met meerdere level-1, level-2 en level-3 traumacentra nodig is om resultaten te generaliseren naar de traumapopulatie, omdat dit een enorm diverse populatie is. Een ander onderdeel van mijn onderzoek was een haalbaarheidsstudie naar EMDR bij patiënten met acute stress stoornis. Mede door COVID verliep de inclusie moeizaam, waardoor we te weinig data hebben om de studie te publiceren. Daarom is vervolgonderzoek nodig om het effect van EMDR bij patiënten met acute stress stoornis te bestuderen.

Daarnaast beschrijf ik in de discussie van mijn proefschrift een aantal suggesties, zoals de relatie tussen IC-opname en PTSS. Ik verwijs u daarom graag naar mijn proefschrift, die na mijn verdediging aan Tilburg University online beschikbaar komt.

CategoryNB-Sep21, Nieuwsbrief
© 2021 NTVP - All Rights Reserved