“De sterkste schakel! Opleiding verbindt wetenschap en praktijk” – Interview met Maartje Schoorl

Door Naemi Welter

Oud NtVP-bestuurslid Maartje Schoorl is klinisch psycholoog, hoofdopleider voor de GZ- en KP-opleiding bij de RINO groep, manager van het Leids Universitair Behandel- en Expertise Centrum en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden.

In 2019 werd je benoemd tot bijzonder hoogleraar Beroepsopleidingen tot Psycholoog in de Individuele Geestelijke Gezondheidszorg. Recent vond je oratie plaats met de titel “De sterkste schakel! Opleiding verbindt wetenschap en praktijk”. Waar ga je je in deze leerstoel op focussen?

De volledige titel van mijn leerstoel luidt de professionele opleidingen binnen de geestelijke gezondheidszorg, met bijzondere nadruk op evidence-based interventies. Mijn focus ligt dan ook op de verdere versterking van de verbinding tussen wetenschap en praktijk. Omdat ik gespecialiseerd ben in onderzoek naar en behandeling van patienten met PTSS ten gevolge van vroegkinderlijk trauma, zal ik dat proberen vorm te geven vanuit die achtergrond.

Binnen de Landelijke Opleidingsraad Psychologische BIG-beroepen heb je bijgedragen aan de ontwikkeling van het Programma Adaptieve Psychologische Vervolgopleidingen. Hoe zie jij de toekomst van de opleiding psychologie voor je?

Zoals ik in mijn oratie heb betoogd, denk ik dat de organisatie van de opleiding tot BIG-psycholoog beter kan. Als de master direct aansluit op de GZ-opleiding bijvoorbeeld, dan kunnen we met leerlijnen gaan werken. Bijvoorbeeld op het gebied van psychotrauma: je kunt je dan voorstellen dat je een logisch traject krijgt waarbij je in opeenvolgende stappen van master tot GZ-opleiding kennis verwerft en vaardigheden oefent om een goede traumabehandelaar te worden, op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten.

Al sinds je promotie combineer je onderzoek met het werken in de klinische praktijk. Welke bevindingen uit je onderzoek neem je mee als clinicus?

De belangrijkste is: houd koers, en vertrouw op je wetenschappelijke kennis tijdens traumagerichte behandeling.

Dat betekent dat je bij problemen in de behandeling, bijvoorbeeld emotionele ontregeling, vasthoudt aan je casusconceptualisatie. Je kunt de theoretische principes van de behandeling benutten om keuzes te maken, maar ga niet opnieuw het wiel uitvinden. Als je het op die manier doet, kun je ook veel beter samen met de patiënt bekijken wat er nodig is als behandeling na voldoende sessies niet tot het gewenste effect leidt. De winst is dat de patient kan volgen wat je doet, deze rationale werkt niet, en dat de hoop op herstel niet verloren gaat. Er zijn veel soorten traumagerichte behandelingen, dus het is altijd mogelijk om te switchen.

Ik ben wel ook tijdens mijn onderzoek geïnteresseerd geraakt in de kracht van organisatie. Tijdens de IMPACT studie hebben we voor zowel patienten als therapeuten een goede en ondersteunende organisatie opgezet, die volgens mij erg bijdraagt aan succes van behandeling. Veel van de patienten die we in onze studies behandelen zijn kwetsbaar, en hebben zo’n structuur nodig om de vermijding op te heffen. En de therapeuten profiteren ook erg van zowel inhoudelijke ondersteuning (goede supervisie) als van een sterk kader dat een RCT nu eenmaal biedt. Dat zorgt voor een gevoel van controle en daarmee voor werkplezier. Binnen LUBEC, waar ik nu werk, hebben we deze organisatie behouden, ook al draait er momenteel geen grote RCT.

En welke bevindingen uit het onderzoek en de klinische praktijk neem je mee als opleider?

Als opleider vind ik het belangrijk die wetenschappelijke attitude leidraad te maken in de lessen en in de opbouw van het curriculum. Ook probeer ik steeds de vertaalslag te maken naar de praktijk; hoe grijp je bij keuzes in de behandeling terug op de theoretische uitgangspunten.

Wat zou je als opleider graag aan jonge psychologen meegeven?

Wat een leuke vraag. Toevallig gaf ik afgelopen vrijdag college aan masterstudenten. Inhoudelijk ging de les over de richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van PTSS, en over de theoretische uitgangspunten van traumagericht behandeling. Maar veel vragen gingen over: hoe doe je dat nou, als de patiënt het eng vindt om over het trauma te praten, en als je zelf ook schrikt van de verhalen? Veel jonge psychologen hebben het beeld van de therapeut die vooral troost biedt.

Het is een belangrijke stap om je te realiseren dat je juist helpt als je de patiënt stimuleert om moeilijke dingen te doen; want dat leidt juist tot verandering!

Welke ontwikkelingen zou je in de toekomst graag zien binnen het psychotraumaveld?

Ik ben benieuwd naar de mogelijkheden van geavanceerde statistiek, zoals machine learning, om individuele behandelindicatie te verbeteren. Prospectief onderzoek zou mooi zijn, waarbij we patienten bijvoorbeeld randomiseren naar een behandelconditie die bij hen past.

Maar het lijkt me ook mooi als we meer ruimte maken voor ook minder sexy onderzoek, bijvoorbeeld naar restklachten of naar drop out, of onderzoek naar de duur van behandeleffect.

Of naar het verbeteren van implementatie. Met zoveel evidence-based behandelingen verwacht ik meer van het verder optimaliseren van bestaande behandelingen, dan van nieuwe behandelmethoden.

CategoryNB-Jun22, Nieuwsbrief
© 2022 NTVP - All Rights Reserved