Bijzonder hoogleraar, hoofdopleider en clinicus: Dubbelinterview met Trudy Mooren en Maartje Schoorl

Door Chris Hoeboer (promovendus aan de Universiteit Leiden)

NtVP bestuursleden Trudy Mooren en Maartje Schoorl zijn allebei onlangs benoemd tot bijzonder hoogleraar. Beiden werken zij als onderzoeker, hoofdopleider en clinicus. In dit dubbelinterview vertellen de vriendinnen over hun benoeming, de overlappende onderzoeksgebieden en de combinatie van wetenschap en de klinische praktijk. 

Trudy Mooren is als klinisch psycholoog werkzaam bij ARQ Centrum’45, in het expertiseteam “Kind, gezin en trauma”. Als bijzonder hoogleraar is zij verbonden aan de afdeling Klinische Psychologie van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Haar leerstoel heeft als titel: Family functioning following psychotrauma. Ze is daarnaast hoofdopleider van de opleiding tot Klinisch Psycholoog Volwassenen & Ouderen in Utrecht. Naast het voorzitterschap van het bestuur van de NtVP heeft ze zitting in de wetenschappelijke adviescommissie van de NVRG.

Maartje Schoorl is klinisch psycholoog en hoofdopleider van de opleidingen tot GZ-psycholoog en Klinisch Psycholoog in de regio’s Leiden/Rotterdam. Daarnaast is zij werkzaam als bijzonder hoogleraar op de afdeling Klinische Psychologie van de Universiteit Leiden, en als manager bij het Leids Universitair Behandel- en Expertise Centrum (LUBEC). Als onderzoeker en behandelaar heeft Maartje zich steeds meer gespecialiseerd in de behandeling van psychologische gevolgen van vroegkinderlijk trauma. Zij is bestuurlijk actief als voorzitter van de Landelijke Opleidingsraad Psychologische Big-beroepen en in het bestuur van de NTVP.

Hoe vinden jullie het om onderzoek en de klinische praktijk te combineren?

Geweldig! Voor ons allebei geldt dat we onderzoek doen omdat we klinische behandelingen willen verbeteren. Ook is de input vanuit onze klinische ervaring heel belangrijk bij het nadenken over welk soort onderzoek nodig is, en hoe dat opgezet kan en moet worden. Daarnaast is het heel bijzonder om op beide gebieden steeds meer kennis te vergaren, die ook weer samengebracht kan worden. Het is echt heel waardevol om vragen uit de klinische praktijk op te pakken, en vice versa, met collega’s in onderzoek te werken die ook aan de klinische praktijk bijdragen.

Hadden jullie van te voren als stip aan de horizon om zowel professor (bijzonder hoogleraar) als hoofdopleider te worden? Hoe is dit zo gelopen?

Haha, nee dat was niet echt het plan! We kennen elkaar al meer dan 20 jaar, en we zijn inmiddels naast collega’s ook vriendinnen. We hadden altijd veel gemeen: we wilden allebei praktijk en onderzoek naar de behandeling van psychotrauma combineren. We hebben vaak gesproken over uitdagingen die je tegenkomt als je dat wilt; niet altijd makkelijk in ons veld.

Het tij lijkt wat te keren dat je vooral moest differentiëren en kiezen tussen onderwijs, onderzoek, of klinische praktijk – de integratie lijkt meer gewaardeerd tegenwoordig en in ieder geval zijn er veel jonge mensen die dit willen.

Het is verder natuurlijk een hele mooie kroon op dat werk dat we allebei bijzonder hoogleraar zijn geworden. We hebben het dan ook samen heel goed gevierd!

Dat we allebei hoofdopleider KP (regio’s Leiden/Rotterdam/Utrecht) zijn geworden, is eigenlijk een bijna logisch voortvloeisel uit bovenstaande: door op te leiden kun je praktijk en wetenschap bij elkaar laten komen. Opleiden is bovendien gewoon heel erg leuk en heel divers. We hadden hierop niet geanticipeerd, maar nu kunnen we samen het curriculum vormgeven, jonge mensen begeleiden en samenwerken met de opleiders uit de praktijk. We stemmen overigens hierbij ook landelijk af. 

Niet alleen jullie positie (bijzonder hoogleraar en hoofdopleider) maar ook jullie onderzoeksgebied komt aardig overeen. Wat is jullie visie op de behandeling van PTSS ten gevolge van kindermishandeling? Is dit nog anders vanuit de onderzoeksbril dan als clinicus?

Op basis van onderzoek is onze visie dat traumagericht behandelen eerste keus is, en ook bij PTSS ten gevolge van kindermishandeling of –misbruik kunnen mensen relatief snel opknappen. Als clinici is dat dus ons uitgangspunt. Uit onderzoek weten we ook dat niet iedereen (voldoende) opknapt. Het is dan natuurlijk weer de kunst om terug te gaan naar de theorie, en na te denken over de stagnatie in de behandeling, en hoe je daar met behulp van de theorie weer mee verder kunt. Zo kan intensiveren van een behandeling een goede oplossing zijn voor patiënten die extreem veel vermijden.

PTSS ten gevolge van vroegkinderlijk trauma heeft vaak effect gehad op de hele levensloop. Daardoor kan het zo zijn dat er na een succesvolle behandeling nog steeds problemen zijn op meerdere levensgebieden die bijvoorbeeld te maken hebben met disfunctionele coping. Een nieuwe casusconceptualisatie kan dan zinvol zijn, om vervolgens een gerichte interventie in te zetten.

Een kanttekening hierbij is wel dat een therapiepauze vaak zinvol is; het behandeleffect kan dan worden geoptimaliseerd, en je geeft patiënten ook de kans zelf, met hun eigen steunsysteem, hun problemen op te pakken. Als clinici zijn we toch vaak geneigd alles op te willen lossen.

En wat is jullie visie op de invloed van psychotrauma op relaties binnen families?

Trudy Mooren: Over de gevolgen van psychotrauma op het individu is gevoegelijk veel bekend – ook concurreren verschillende behandelmethoden met elkaar, en is nu vooral de vraag interessant wat werkt voor wie, wanneer? De consequenties van psychotrauma voor onderlinge gezinsrelaties hebben minder aandacht gekregen. Enerzijds vormen gezinsleden belangrijke bronnen van sociale steun, anderzijds kunnen zij ook beschadigend zijn. De kenmerken van PTSS, denk aan intrusies, vermijding en verhoogde prikkelbaarheid hebben direct invloed op hoe je met intimi omgaat. Verjaardagsfeestjes worden vanwege drukte niet meer bezocht, een pretpark bezoeken is onmogelijk; het is er immers onoverzichtelijk en er zijn overweldigend veel prikkels. Hoe nu tijdig te interveniëren zodat nadelige gevolgen gestopt worden? Mijn visie is dat hiernaar meer onderzoek nodig is.

Wat zouden jullie graag nog aan het veld willen bijdragen?

Maartje Schoorl: Ik zou graag een steentje bijdragen aan verdere implementatie van traumagerichte behandeling, ook naar aanleiding van het rapport over behandeling van PTSS in Nederland van het team Zinnige Zorg, waaruit bleek dat nog steeds maar ongeveer 40% van de patiënten met PTSS traumagericht behandeld wordt. Ook zou ik graag meer onderzoek doen naar het personaliseren van traumagerichte behandeling. In de IMPACT-studie gaan we ook nog kijken naar eventuele combinaties van factoren die behandelsucces op individueel niveau kunnen voorspellen met behulp van geavanceerde statistiek.

Tot slot merk ik dat ik behoefte heb om meer na te denken over preventie van kindermishandeling en –misbruik.

Veel vroegkinderlijk trauma is moeilijk te voorkomen, maar we weten wel dat ongeveer 30% van de slachtoffers zelf dader wordt. We weten nog niet zo veel over de psychologische mechanismen die daaraan ten grondslag liggen, en wat behulpzaam kan zijn voor slachtoffers die ouders worden.

Ik zou om te beginnen graag het effect onderzoeken van succesvolle traumabehandeling op ouderlijk functioneren. We zouden op dit gebied ook graag verder willen samenwerken.

Trudy Mooren: Toch bijzonder dat ook hier ons werk samenkomt. Ik zou de terreinen van systemisch werken en psychotrauma meer bij elkaar willen brengen – hoe zijn de relaties tussen gezinsleden, tussen generaties, en tussen families in hun sociale omgeving beter te begrijpen? Wat zijn dan de handvatten voor interventie? Op dit terrein zou ik graag de samenwerking vinden en een bijdrage leveren.

Wat zouden jullie willen meegeven aan jonge onderzoekers, clinici en de jonge scientist-practitioners? 

Maartje Schoorl: Probeer sowieso de combinatie te zoeken tussen wetenschap en praktijk, volgens mij is dat de basis van ons vak. Ik heb in mijn werk ook veel gehad aan mensen die me ondersteunden; dus zoek een mentor, of een collega waar je mee kan sparren over je ambities.

Trudy Mooren: Bedenk wat je inspireert in het vak – welk probleem wil je (mede) oplossen?, welke competenties wil je vergaren – waar wil je goed in zijn?

Neem de tijd om in gesprek met anderen, te lezen, of na te denken – over hoe je dat zult aanpakken. Denk daarbij over grenzen van instituten, afdelingen en ook landen heen.

CategoryNB-Jul20, Nieuwsbrief
© 2020 NTVP - All Rights Reserved